
|
 |
|
Brief van de Generale Overste aan de jonge Assumptionisten |
|
|
|
|
Written by Richard E. Lamoureux, a.a.
|
|
Tuesday, 02 September 2008 |
Geliefde medebroeders,
In een van mijn brieven, getiteld “Een duurzaam verbond”, heb ik u enkele beschouwingen voorgelegd over het definitieve karakter van de keuze voor het huwelijk of voor het religieuze leven. Deze kwestie houdt me nog steeds bezig, vooral nu, na een verblijf in Brazilië, waar ik heb deelgenomen aan de werkzaamheden van onze vormingsverantwoordelijken, en na ge¬sproken te hebben met een groot aantal jonge religieuzen in Latijns-Amerika, die pijnlijk getroffen waren door het recente vertrek van enkelen van hun confraters.
Trouw blijven aan zijn verplichtingen is een genade en een mysterie. Wie kan zeggen, waar¬om sommigen daar niet in slagen? Trachten te begrijpen wat er omgaat in het hart van een ander, is bijzonder moeilijk. En het is al even moeilijk om in te zien, welke invloed de omringende cultuur op een dergelijke keuze kan hebben.
Dit gezegd zijnde, zou ik u graag een gedachte willen voorleggen die mij sterk bezighoudt. Misschien kan zij u van nut zijn. Mijn bezinning richt zich niet speciaal op de redenen die iemand ertoe brengen om definitief voor het religieuze leven te kiezen, maar op de vraag hoe hij moet leven, nadat hij eenmaal deze stap gezet heeft. In dit verband acht ik het van wezen¬lijk be¬lang, dat wij leren leven als mensen op reis.
Deze gedachte werd me ingegeven door meerdere recente dingen, waaronder (u kunt het zich voorstellen!) een muziekstuk dat ik enkele weken geleden voor het eerst hoorde. Deze keer was het de hele CD die me raakte. De CD draagt als titel «De wereld voorzover ik me herinner» en de samensteller ervan is een katholieke Amerikaan, genaamd Rich Mullins. Ik heb in een eerdere brief al eens zijn naam genoemd. Alle liederen van dit album behandelen hetzelfde thema. Vanaf het begin, »Stap voor stap», tot aan het eind, «Overal waar ik ga, zie ik U», bezingt Mullins een of ander aspect van wat het betekent op weg te zijn.
(U kunt de CD vinden op de web-winkel iTunes)
Lang geleden sprak Augustinus hier ook al over: «Onze harten zijn onrus¬tig...». We zijn altijd onderweg. Dat idee bevalt ons wel: het doet denken aan avontuur, aan ontdekkingen, aan verrassingen, aan de mogelijkheid er even helemaal uit te zijn. En het is een passend beeld voor het geloofsleven: we zijn nog niet aan het einde van de weg, we hebben nog maar weinig definitieve antwoorden op onze vele vragen. We hebben er dan ook moeite mee, als iemand zich al te stellig gedraagt en erg zeker van zichzelf is. Het is goed, zelfs heel na¬tuurlijk, om op weg te zijn.
Maar u kent ook, juist als ik, de minder aantrekkelijke aspecten van het reizen. Ik herinner me nog zeer goed hoe ik me, tijdens een wandeltocht van 150 km door het bosgebied van de staat Maine in de Verenigde Staten, na drie dagen voelde, toen we zo’n 75 km hadden afgelegd. Midden in een woeste streek, met pijnlijke blaren onder de voeten en nog 75 km verwijderd van een koel glas bier en van de «beschaving»... heeft het idee dat men onderweg is en nog niet aan rust toe al haar charme verloren! Ik kan me dan ook voorstellen, dat de Israëlieten vurig terugverlangden naar de heerlijkheden van Egypte. Op dit punt van mijn reis aan¬gekomen, voelde ik bijzonder veel voor wat «heerlijkheden»!
Wanneer we op deze manier onderweg zijn, hebben we ogenblikken van zwakte en twijfels. Onze gevoelens spelen ons parten en ons vertrouwen raakt aan het wankelen. Mullins zegt het heel duidelijk:
«De rivier is diep..., de rivier is breed..., en ik loop het gevaar alle dromen te verliezen die ik met me droeg».
De Ratio Institutionis spreekt over de ontgoocheling die ons in de jaren van het post-noviciaat vaak overvalt, wanneer we ontdekken dat, in het licht van een werkelijkheid die we graag anders zouden willen, onze eerste liefde en de ambities van de begintijd beginnen te vervagen. «Ik ben mijn enthousiasme voor de missie kwijtgeraakt...», vertrouwde een jonge confrater me onlangs toe. Ik begrijp heel goed wat meerderen me vertelden: «Ik ben hier gekomen met heel veel ambities voor het broederlijk leven en voor de missie... En ik heb echt gepro¬beerd iets voor de wereld te betekenen...». Maar het is alsof we op een muur stuiten:
...de confraters zijn niet zo broederlijk meer,
...meerderen zijn niet bepaald evenwichtig van aard,
... ze zijn niet erg ambitieus.
... Die zaak van het celibaat wordt ons echt niet ingegeven door de incarnatie; zou het niet evangelischer zijn om te trouwen?
... En het gebed, is dat geen vlucht? Het blijft in elk geval erg moeilijk en ik zie de waarde ervan niet in.
Dit alles lijkt erg veel op wat ons onderweg kan overkomen: we hebben een lekke band, zitten vast in het verkeer, verliezen ons geduld met onze reisgenoten, verdwalen, verongelukken zelfs. Inderdaad, «de rivier is diep..., de rivier is breed».
Maar te midden van dit soort moeilijkheden doet zich iets verrassends voor; ik heb er moeite mee het uit te leggen. Mullins bedient zich van een prachtig beeld:
«Zon en regen zijn met elkaar verweven tegen het diepblauw van de hemel».
Daarmee wil hij zeggen, dat de moeilijkheden die we ontmoeten niet alleen maar negatief of destructief zijn. We mogen de ogen niet sluiten, tot ze weer verdwenen zijn. Integendeel, zon¬der deze moeilijkheden zouden we wellicht geen oog hebben voor de heel bijzondere schoon¬heid van de reis... zoals bijvoorbeeld het onverwacht doorbreken, na een regenbui, van een zonnestraal, van een blauwe he¬mel, de voortdurend wisselende vormen van de wolken... of ook de eenvou¬dige maar diepe vreugde om een reeds lang bestaande, door de zonde en ieders grenzen beproefde, relatie... Onze tocht door deze wereld kan sommigen als tragisch voor¬komen:
«Is het niet verschrikkelijk?» Mullins stelt deze vraag in een van zijn liederen. Maar, voegt hij er onmiddellijk aan toe, een ander die in dezelfde situatie verkeert, zou ook kunnen zeggen: «Nee, het gaat heel goed!»
Het trof me diep, iemand die lange tijd onder eenzaamheid en leegte gebukt ging te horen zeggen: «Er zijn ogenblikken waarop ik me overweldigd voel door een onuitsprekelijke vreugde, alsof ik, ofschoon ik niets heb, heel de wereld bezit». Dat was ook de gedachte, die Au¬gus¬tinus zijn gemeenschap op paasmorgen voorhield: «Laat ons alleluja zingen... en op weg gaan!»
Ik durf niet al te vlot deze ervaring voor een geestelijke lezing te gebruiken, maar ik geloof toch wel, dat zij verbonden is met het feit dat Jezus niet alleen aan het einde van onze reis staat: Hijzelf is ook de weg en de reis. Hij is niet alleen tijdens de reis bij ons aanwezig, Hij is de reis, Hij is de weg die wij volgen. Onze ervaring onderweg is zijn ervaring. Zouden wij Hem aan het einde van de weg kunnen vinden, als we Hem niet al onderweg hadden gevon¬den?
We kunnen niet ontkennen, dat we onderweg allerlei moeilijkheden ontmoeten; ieder van u kan daar zelf wel de balans van opmaken. Maar ondanks alles is het toch mogelijk om te reizen in groot vertrouwen.
«Laten we het dan hebben over Daniël in de leeuwenkuil, over Jona in de buik van de walvis, over de drie Hebreeuwse jongeren in de vuuroven... het vuur ver¬teerde hen niet, de leeuwen verscheurden hen niet, en de Heer toonde zijn macht...»
Vertrouwen komt voort uit de overtuiging, dat we niet alleen zijn op de weg waarop we gaan, we weten waarheen hij leidt. We dwalen niet rond in een labyrint, waar we voort¬durend vast¬lopen. Al bevinden we ons misschien toch wel in een labyrint (of in een vuuroven).
«Ja, je zult de Heer vinden in de vuuroven, lang voordat je Hem vindt in de hemel».
Maar we weten wat (en wie) ons wacht aan het einde van de reis.
We zouden ons misschien kunnen verzoenen met een lange reis, langs wegen die we niet kennen, en bereid zijn om tal van gevaarlijke avonturen te doorstaan, als er iemand anders achter het stuur zat, maar... wij zitten zelf aan het stuur. Dat komt ons toe. Het is een veel¬eisende reis, wij zijn er zelf verantwoordelijk voor.
«Een prinses redde het kind uit het water, het lag verborgen tussen het riet, slapend in een mandje... We weten nooit van wie God zich wenst te bedienen, van een prinses, van een baby, of misschien zelfs van jou of mij».
Zo handelt God nu eenmaal. Als wij bereid zijn ons op weg te begeven, zou Hij op zijn minst ons een beetje kunnen helpen! Maar zoals het ernaar uitziet, legt Hij alle verantwoordelijkheid op onze schouders. Het mag ons dus niet verbazen, als we de indruk krijgen dat we de last heel alleen moet dragen.
We zijn dus pelgrims; daar is niets aan te doen. De weg zal wellicht moeilijk zijn en we zijn misschien geneigd hem te verlaten. Maar zo erg is het toch ook weer niet voor wie besluit verder te trekken. Het heeft zelfs iets aantrekkelijks. Maar om te volharden is één ding van we¬zenlijk belang. Houdt uw ogen gericht op het wezenlijke: op de diepste verlangens van uw hart... en niet op gedachten en gevoelens die bij u opkomen en weer verdwijnen.
«Ik zoek U vanaf de vroege morgen, en ik leer U te volgen, en U zult mij steeds ge¬leiden, en ik zal U volgen alle dagen van mijn leven».
Augustinus wenst ons duidelijk te maken, dat het pelgrim-zijn deel uitmaakt van onze mense¬lijke en christelijke conditie in deze wereld, hoe aantrekkelijk of pijnlijk het ook mag zijn. «Maar ook al in dit aardse leven moeten wij, te midden van gevaren, te midden van beko¬ringen, Alleluja zingen. Want God is getrouw... Zing dan en ga op weg... Verdwaal niet, keer niet op uw schreden terug, blijf niet stilstaan... Zing en ga op weg».
Richard,
op bedevaart in Lourdes
Feest van de Assumptie, 2008
|
|
Last Updated ( Tuesday, 02 September 2008 )
|
|
|
|